De Gans

De gans

Ganzen zijn leden van de familie Anatidae (zwanen, ganzen en eenden) met een grote, zwaargebouwde lichaamsbouw. Ze horen tot de onderfamilie Anserinae (zwanen en ganzen) en zijn gespecialiseerd in het grazen. Hierdoor hebben ze sterke, vrij lange poten, die midden onder het lichaam geplaatst zijn, waardoor ze goed kunnen lopen. In Europa leven twee geslachten: Anser (Grijze ganzen) en Branta (Zwart-witte ganzen).

Ganzen hebben een middellange hals met een krachtige, kegelvormige snavel met een zaagrand erop. Ze zijn kleiner en compacter dan zwanen, maar groter dan halfganzen en eenden.

Gedurende de rui verliezen volwassen vogels alle slagpennen tegelijkertijd, waardoor ze ongeveer een maand niet kunnen vliegen. Deze periode komt meestal overeen met de tijd waarin de jongen in het nest aanwezig zijn. In tegenstelling tot eenden hebben ganzen een verenkleed dat voor mannetjes en vrouwtjes gelijk is.

Ganzen kunnen tot een leeftijd van 30 bereiken, maar vruchtbaarheid begint pas bij hun 3e jaar. Het verschil tussen mannelijke en vrouwelijke ganzen is te zien aan hun fysieke kenmerken. Bij vrouwtjes is er een duidelijk grotere hangbuik (onderaan de gans) dan bij mannetjes. Dit is vooral te zien tijdens de broedtijd.

Ganzen leven in familieverband of in grote troepen. Hun voedsel bestaat uit plantaardig materiaal. Zij vliegen in V-vormige formaties of golvende lijnen. In hun overwinteringsgebied vormen zij ook groepen, ook wel toom genoemd.

Ganzen hebben een betere vliegcapaciteit wanneer ze in een V-formatie vliegen. Ze maken gebruik van de lift die ontstaat door de vleugelslag van de vogel die voorop vliegt. Onderweg praten ze met elkaar. De achterste vogels stimuleren de voorste om snelheid te behouden. Een gans kan maximaal 46 kilometer per uur bereiken.

Ganzen zijn monogaam: paren blijven hun hele leven bij elkaar. Hun nest is op de grond gebouwd, waar het vrouwtje het met dons uit haar eigen borst bedekt. De jonge ganzen zijn nestvlieders, wat betekent dat ze het nest spoedig na hun geboorte verlaten. Ouders bewaken de jongen en houden ze warm, maar ze moeten zelf op zoek naar voedsel.

Ganzen laten zich niet kennen en kunnen heftig met hun vleugels slaan als een bedreiging zich aandient. Daarom werden ze destijds als waakhonden gebruikt, omdat ze zo luid gakken bij dreiging.

Ontstaan uit de Grauwe gans en de Zwaangans, zijn er meerdere gedomesticeerde rassen. Deze variëren van oudere ontwikkelde rassen die gefokt worden voor vlees, lever, eieren, veren, en soms ook voor ganzengevechten. Enkele voorbeelden zijn de Boerengans, Toulousegans en de Twentse landgans. Tamme ganzen leggen 40-60 eieren per jaar, die geschikt zijn voor consumptie. Om salmonella te vermijden, moet een ganzenei minstens 15 minuten gekookt worden. De slagpennen van de gans werden al gebruikt in de oudheid om mee te schrijven (zoals een ganzenveer). Ze waren ook populair bij boogschutters omdat ze geschikt zijn om pijlen mee te bevederen.

In de christelijke iconografie worden ganzen geassocieerd met Martinus van Tours en Pharaildis van Gent als hun attribuut.

Er was een legende over de Romeinen, waarin de gans heilig werd verklaard. De Galliers vielen de stad Rome, waar alle inwoners op het Capitool waren gevlucht. Niemand merkte de aanwezigheid van de Galliers op, behalve de ganzen, die wakker werden door hun scherpe zintuigen. Dit leidde tot een wekker voor iedereen en de Galliers werden teruggeslagen.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *